
Katinka Blok: Mijn naïeve zusje
ColumnEen paar weken geleden, toen het bloed- en bloedheet was, stond ik met mijn zusje Annemarie op het station van Utrecht. We kwamen allebei uit ons werk en wachtten op de trein naar Rotterdam. Er gold een hitteprotocol, wat bij de NS meestal gewoon code is voor: zoek het maar uit.
We stonden inmiddels als bezwete sardientjes in de trein, toen de conducteur vrolijk omriep dat de rit ging vervallen. De eerstvolgende trein ging pas over veertig minuten. Totale chaos op het perron. Toen die nieuwe trein eindelijk aankwam, wurmden we onszelf zo goed en kwaad als het ging naar binnen. Wonder boven wonder vonden we nog twee lege stoeltjes.
We moesten nog een minuut of drie wachten tot vertrek. Terwijl ik even snel op mijn scherm keek hoe laat we in Rotterdam zouden aankomen, zag ik Annemarie ineens als een gek opstaan. Ze sprintte tussen de meute door, keihard de trein uit. Mij lukte het onmogelijk om er nog achteraan te gaan. Het enige wat ik haar nog hoorde roepen was: “F*ck, m’n telefoon!”
Voordat we überhaupt bij de tussenstop Gouda waren, had ik haar via haar werktelefoon te pakken. Haar iPhone was linea recta uit haar achterzak gejat. In alle drukte had ze hem daar even snel (en oké, best wel naïef) ingestoken. Toen ze de sprinter uitsprintte en ik het nummer belde, sprong hij al direct op voicemail. Gelukkig heeft Apple zo’n fijn systeem waarmee je de boel op afstand in een handomdraai blokkeert.
Eenmaal thuis openden we de app: ‘Zoek mijn’ en zagen we het toestel vrolijk oplichten in een flat in Kanaleneiland. Samen met Annemarie hing ik meteen met 0900-8844 aan de lijn. De politie ging even overleggen met de Officier van Justitie, maar de conclusie viel tegen: helaas. In een appartementencomplex konden ze hooguit bij één of twee deuren aanbellen, en de locatie kon er net naast zitten. “Maar,” zei de agent, “als hij verplaatst, mag je direct 112 bellen.”
Na twee uur wachten was het zover. Ping. De telefoon popte op in Budel, bij het AZC. “Goh, AZC... Altijd Zeker Criminelen,” grapte m’n vader nog cynisch op de achtergrond. We konden op de meter nauwkeurig zien bij welk huisje op het terrein hij lag. Wij dus enigszins opgelucht en vol adrenaline 112 bellen. De verbazing was groot toen de conclusie was dat ze er niks mee gingen doen, puur omdat het een AZC betrof.
Inmiddels zendt de telefoon signalen uit vanuit Hamburg. Waarschijnlijk ligt hij daar in de donkere kelderbox van een of andere bende, gezellig naast de bratwurst opgestapeld tussen tientallen andere gejatte telefoons. Het enige troostende is dat ze er werkelijk he-le-maal niks mee kunnen. Apple heeft dat zo goed afgeschermd dat die telefoon nu net zo bruikbaar is als een baksteen. Een héle dure baksteen, dat wel. Maar de volgende keer dat we als bezwete sardientjes een bloedhete trein in moeten wurmen? Dan houden we onze spullen in ieder geval stijf vast tot we écht rijden.
















