Coen van Alphen.
Coen van Alphen.

Dominee Coen van Alphen:

Algemeen

Lied van de merel

De mensen liggen nog diep in hun dromen
als ik een hemelse adem voel stromen.

Hoewel het nog donker is moet ik al zingen,
de wereld vertellen: de dag gaat beginnen.

Met mijn rollende tonen, omhoog en omlaag
bezing ik het leven: geschenk voor vandaag.

Wat de lente betreft met zijn klanken en geuren,
het is onontkoombaar, het gaat weer gebeuren.

Ik zing van geheimen, wie zal ze doorgronden
de sleutel ervan wordt niet zomaar gevonden.

Dan zwijg ik even
om adem te halen
en hoor in de verte
mijn lied zich herhalen.
We geven het door,
vormen een koor,
en met krachtiger klank
hervat ik mijn zang.

Ik zing voor verliefden en mensen alleen,
voor dromers en hen met een schild om zich heen.

Voor zondaars en heiligen zing ik even goed,
mijn boodschap dezelfde: mensje, houd moed.

Sterveling, blind en doof van verdriet,
ik zing ook voor jou, of je luistert of niet.

Hoop is mijn boodschap, geloof er maar in:
de mogelijkheid van een steeds nieuw begin.

Ik zing voor de vrede die toch ooit moet komen;
denk aan de stille, opeens bloeiende bomen.

Ik zing voor de Ene die mijn loflied bedacht,
ik zing voor het leven uit alle macht.

Wordt het eenmaal licht,
dan houd ik een poosje mijn mond dicht.
Een vogel moet ook eten,
zoals alle schepselen weten.

(…)

Mijn tak weer gevonden, mijn plek ingenomen,
Laat de melancholie nu maar komen.

Ik zing in de avond, gouden uur voor het donker
als lampen aangaan en de eerste ster flonkert.

Mijn lied wil tenslotte de mensen zeggen
hun drukte en bezigheid nu eens neer te leggen.

Hoor hoe ik nog één keer de schoonheid bezing,
het mysterie, de troost, de verwondering.

Laat je zorgen maar rusten nu het eindelijk mag,
na deze nacht komt een weer nieuwe dag.

Als ik straks ga slapen, dan weet ik één ding,
dat hoe het ook gaan zal, ik morgen weer zing.

(Ditmaal had mijn column de vorm van een gedicht.)

Advertenties uit de krant